Pak uit, 't is lente!
Ronald Giphart
Een taart voor de waard
Arnold Meulenbeld
Een ander drankje
Suzanne Brink
Belofte maakt schuld
Arnold Meulenbeld
Waterdrinken met Jack Nouws
Ronald Giphart
Zwagerman en een volle blaas
Roy van den Burg
Tequila snuiven
Arnold Meulenbeld
Een hemel met vuur
Arnold Meulenbeld
De bulldozer
George Muishout en Martijn Houtkamp
Dansen met de muzen
Buub Sondrick
Tosti met ketchup en mosterd
Jeanine Hovius
Zo dan maar
Petra Kruyt
Dief
Tommy Wieringa
'Nog niet met een pistool tegen mijn hoofd'
Jack Nouws
-geen titel-
Jack Nouws
Doorloop
Peter Tekelenburg
|
| Pak uit, ’t is lente!
Het is vrijdagavond 21 april 2000, tegen negenen. Vandaag was het een van de eerste echt warme dagen (zeventien graden), de terrassen zaten vol, zonnebrillen waren overal uitverkocht en verliefdheidsferomonen waaiden in kilo’s over de straten van de stad. Ergo: vanavond zal het in De Bastaard een onvervalste, heerlijke bloesjesavond zijn. Volgens Remco Campert is bloesjesdag de eerste dag van het jaar waarop vrouwen & meisjes de lappen, vellen en doeken waarmee ze de winter hebben getrotseerd van zich af werpen, om in loshangend wapperflanel over de straten te flaneren en zo een nieuwe summer of love aan te kondigen. Op een bloesjesavond gebeurt hetzelfde, maar dan in de cafés en clubs. Weg met de truien, verhullende jassen en meerdere lagen: pak uit, ’t is lente! En omdat iedereen zo vol van verwachting is zal De Bastaard vanavond ongeorganiseerd maar met enthousiasme worden omgedoopt tot een grote lieflijke cour d’amour. De beddenwinkel aan de Voorstraat komt spontaan het biljart vervangen door een ultrasize & megastevig matras, Hanneke brengt geurige veelkleurige loofslingers mee om de wanden te versieren, Jack Nouws trekt voor de gelegenheid zijn geinige carnavalsonderbroek weer eens aan (gewassen deze keer), en iedereen zal zich verdoofd door endorfinen en spiritualiën overgeven aan een liederlijke inlui van de lentense liefde. Hup Bastaard!
Mascha & ik zullen er vanavond niet bijzijn. In ons gezin heeft de sluitspierepilepsie dramatisch toegeslagen. De wereld is poep geworden. Sacherijnige Broos heeft de grote stroom al achter zich, maar Tip doet een serieuze poging het wereldrecord poepen voor baby’s te verbreken. Net zagen we vervolgens het liefdesduo meneer & mevrouw Goossens voorbijlopen. ‘Natuurlijk naar De Bastaard,’ zei ik, mijn verongelijktheid wegknijpend. Mascha & ik noemen het heel monter ‘een fase in ons leven’. Natuurlijk zouden we een opa of oma kunnen vragen op Broos & Tip te passen, maar je draagt een huilerig jongetje dat de wereld de oorlog heeft verklaard en een zichzelf onderschijtend kindje van twaalf weken niet over aan argeloze oppas. We moeten thuisblijven en de poepepileptische toevallen van onze kinderen doorstaan, hoe graag we ook naar ons stamcafé zouden willen. Inplaats van ons onder te dompelen in de bloesjesavond, schrijven we ten arren moede maar de eerste column van deze homepage, de thuisblijverspagina van De Bastaard.
Ronald Giphart |
| Een taart voor de waard
Sinds enkele dagen hangen in het café op strategische plaatsen postertjes met de uitdaging aan klanten om een column te schrijven voor deze pagina. Zoals bekend tegen de symbolische betaling van een taart. De reacties zijn overwegend positief, ik verwacht dan ook veel van dit initiatief. Eigenlijk verbaast het me dat ik nog niet bedolven ben onder de columns. Als ik het moet geloven is iedere vaste gast ondertussen zijn ganzenveer aan het slijpen. Wat wil je ook in een literair café.
Een jongen met een overduidelijk competitief ingestelde geest vroeg mij of iedereen mee mocht doen met de wedstrijd. In eerste instantie schrok ik. Had ik met mijn poster de indruk gewekt dat het hier om een wedstrijd ging? Nee, dat was toch niet het geval en geduldig legde ik de jongen uit wat precies de bedoeling was.
'Primair,' vertelde ik, 'is het natuurlijk de bedoeling de bezoekers van onze thuispagina een reden te geven vaker terug te komen. Dat lukt in theorie natuurlijk uitstekend met een wekelijks wisselende column. Tenminste, als die column niet eindeloos volgepend wordt door enkel en alleen mij. Doordat iedereen er aan mee kan schrijven wordt de site een beetje van ons allemaal. Zo zit het.' Verder weidde ik nog wat uit over het creëren van het cheers gevoel op het wereldwijde web en dat het toch een leuke gedachte is dat er van die miljard pagina's nu voor het eerst een literaire drinkpagina is, enzovoort.
'Nou, dan vind ik een taart maar een mager prijsje,' zei hij verongelijkt.
Terwijl ik mijn ongeloof en wanhoop nog maar nauwelijks kon verbergen, vertelde ik over de symbolische waarde van de taart, dat ik natuurlijk besefte dat een taart niet in verhouding stond tot de economische waarde van een column van ongeveer vierhonderd woorden, dat hij het natuurlijk zeker niet voor de taart moest doen en tenslotte dat het idee toch duidelijk was. Na nog wat heen en weer gepraat te hebben leek het erop dat ik toch nog niet helemaal duidelijk genoeg was geweest. Ik had wat moeite, om de vraag van hem waar de column dan wel niet gepubliceerd zou worden, niet cynisch te beantwoorden. Toch wist ik tot het einde mijn waardigheid te bewaren.
'Heb je eigenlijk al inzendingen?'
'Ja, de eerste column is geplaatst.'
'Van Jack Nouws zeker?'
'Nee, van Ronald Giphart.'
'Oh, dan zijn we kansloos.'
Inderdaad lieve mensen. Deze taart gaat naar de waard.
Arnold Meulenbeld |
| Een ander drankje
‘Hé, die was hier gister toch ook al? En de dag daarvoor. En daarvoor.’ Eigenlijk hou ik er niet van standaard dezelfde kroeg te bezoeken. Een vriendin van mij ging jaren achter elkaar ieder weekend naar café België. Ik vond het spannend om eens in het jaar een keer met haar mee te gaan. De vaste België-gangers waren voor mij nieuwe gezichten en ik was een fris element voor hen. Maar ieder weekend? Dà-àg. Angstvisioenen. Dat je de drempel nog niet over bent en de barman zet al je favoriete witbiertje voor je neer. Met automatisch een extra schijfje citroen, want zo’n man weet dat dan.
Ik wil ook geen vaste groenteman voor wie ik ‘dat vrouwtje dat tuk is op sperzieboontjes’ ben. En van de vaste fietsenmaker die ik een tijdje had werd ik ook wee. ‘Ah, daar zijn we weer. Alles goed met de remmen?’
Ik weet niet wat dat is.
Misschien een traumaatje van de zeven jaar dat ik in een langgerekt sterfdorp woonde. Het idee dat al die bejaarden weten hoe laat jij op iedere dag uit school komt. Dat als jij op dinsdag in plaats van om half vijf om half vier langs fietst, zij achter de ramen zeggen: ‘O, zeker een leraar ziek.’ Die mensen weten niks van je, alleen op welke tijd je uit school hoort te komen.
In de zomer is wonen in Zuilen wat dat betreft ook een hel. Meters campingstoelen op de stoep en twintig ogen op je kont als je je fiets in de schuur zet of er uithaalt.
Als mensen al mijn kleinzielige dagelijkse gewoonten zien word ik er zelf extra met mijn neus opgedrukt. Zit ik daar weer, loop ik daar weer, rook ik weer, drink ik weer, praat ik weer. Heb ik het alweer over mijn schimmelvoeten? Zit ik alweer te luisteren naar een gesprek over grote auto’s (die zuiniger lopen dan je zou denken)?
Maar goed, hoe gaan die dingen. Je ontmoet een vent en die vent blijkt een eigenaardigheid te hebben: als hij naar de kroeg gaat - en dat doet hij met grote regelmaat – is dat altijd dezelfde kroeg: café De Bastaard. Ik zit dus met dezelfde man in dezelfde kroeg op dezelfde kruk. Maar op één ding pakken ze me niet. Ik bestel altijd een ander drankje dan de keer daarvoor.
En zo blijft uitgaan toch een avontuur.
Suzanne Brink |
| Belofte maakt schuld.
Mijn opa had vroeger een heel duidelijke stelregel over het zakendoen in het algemeen. Doe alleen zaken met die bedrijven die een goede naam te verliezen hebben. Bij hen is de kans dat ze hun afspraken nakomen immers het grootst. Dat je zelf altijd je afspraken nakwam, dat stond buiten kijf.
Mijn opa deed actief zaken in een tijd dat het normaal was om leenovereenkomsten op de achterkant van een viltje te schrijven. Na zijn overlijden was mijn oma een stuk minder enthousiast over deze methode. Veel schuldenaars bleken plotseling over een selectief geheugen te beschikken en waren niet bereid de afspraken met mijn opa na te komen. Dat was zeer uitzonderlijk in die tijd.
Bij de crematie van mijn vader hield een zakenrelatie een toespraak waarin hij de eerlijkheid en betrouwbaarheid van mijn vader meer dan eens onderstreepte. Mijn vader was in zijn tijd al meer een opmerkelijkheid. Het moest apart vermeld worden, maar hij had een voorbeeldfunctie, was exemplarisch voor de norm.
Hoe anders is de tijd waarin wij leven. De juridisering van de maatschappij is bijna op zijn hoogtepunt. Een bedrijf als Microsoft is een juridisch bedrijf met software als nevenactiviteit. Niet het op een eerlijke manier zakendoen is daarbij het uitgangspunt, maar het opzoeken van de grens van het toelaatbare. Of beter: het overschrijden van die grens. Nothing a good lawyer can't fix. Nu gaat het mij niet in het bijzonder om Microsoft. Het is een tendens die zich jaren geleden heeft ingezet. In het bedrijfsleven zijn juristen al lang onmisbaar. Weet ook dat juristen op zich niet het probleem vormen. Zij voorzien slechts in een behoefte die is ontstaan.
Mijn problemen zijn vooralsnog te onschuldig om een jurist voor in te schakelen. Toch lijd ik ernstig onder de tijdgeest. Ik heb steeds vaker te maken met mensen die hun afspraken niet nakomen. Sterker nog: er is op dit moment maar een leverancier die gewoon doet wat hij moet doen. Als hij bij wijze van uitzondering zijn afspraken niet na kan komen, biedt hij uitgebreid zijn excuses aan. Samen staan wij eenzaam tegenover het geweld van afspraakbrekers, niet-terug-bellers, leugenaars en ander onbetrouwbaar volk. Het lijkt allemaal nog eens versterkt te worden door de economie die op volle toeren draait. Komt er echter een recessie,dan kan iedereen getuige zijn van een economische paradox. De financiële pagina's voorspellen slecht weer, maar ik zit feest te vieren aan de bar. De champagne zal rijkelijk vloeien en naast mij zitten mijn vader en grootvader zichtbaar te genieten. Dat beloof ik jullie en belofte maakt schuld.
Arnold Meulenbeld |
| Waterdrinken met Jack Nouws
In de serie Legendarische Avonden in De Bastaard, vandaag Legendarische Avond Numero 1.366, de avond dat de Utrechtse schrijver Jack Nouws besloot stoer te doen.
Het is mijn stelling dat mensen meer boeken zouden moeten lezen & kopen van Jack Nouws. Niet dat literair-onderlegde, gevoelige & erudiete mensen het talent van Nouws onderschatten, maar de verkoop van en de publieke aandacht voor Uitgestudeerd en De gemonteerde vrouw willen helaas nog niet zo vlotten. Hoewel dit natuurlijk niet de plek is om een ordinaire reclamespot uit te zenden (voor die tweehonderd lezers van deze thuispagina tot nu toe, bedoel ik), wil ik toch de aandacht op het werk van Nouws vestigen, al was het alleen al omdat Jack binnenkort vader wordt en zich thans met zijn vriendin Jacqueline onledighoudt met verhuizen, schuren, hakken, verven. Laat deze druppel het begin zijn van de stortvloed.
En deze beeldspraak sluit wonderwel aan bij de avond dat Jack Nouws om onachterhaalbare redenen plotseling besloot stoer te doen. We kennen Jack als een rustige intellectueel, met een Brabantse tongval en een wat sombere kijk op de wereld. Jack zul je niet zo snel met zijn blote kont boven de bar zien hangen, laat staan dat hij zich laat verleiden tot een total bendover body split op de biljarttafel. Jack is geen macho, Jack is niet agressief, Jack hoeft niet te imponeren. At least that's what we thought. Het was op een avond jaren geleden. Omdat het ongelooflijk druk was (wat vroeger nog wel eens gebeurde) stond een gezelschapje schrijverds plus aanhang aan de punt van de bar in een diepe conversatie over zingeving, de wurgende tegenstelling arm/rijk en de toestand in Centraal Borkina Fasso.
‘Zal ik eens een glaasje tabasco in één teug leegdrinken?’ zei Jack Nouws plotseling. Hij had zich tot dan toe niet met de conversatie bemoeid. Het hele gezelschap stond sprakeloos. Iemand (ik geloof dat het Jerry Goossens was) mompelde: ‘Dat is goed, Jack,’ waarop hij bij Olga (o, Olga!) een flesje tabasco en een glaasje bestelde.
Iedereen keek toe hoe Jack het glas vulde en het inderdaad in één teug achterover sloeg. Is het kinderachtig en puberaal als ik nog vermeld dat Jack de rest van de avond om de vijf minuten naar het toilet ging, heel, heel smerige scheten liet en en passant het Bastaard Baanrecord Waterdrinken verbeterde?
Hij heeft hierna nooit meer stoer gedaan.
Ronald Giphart |
| Zwagerman en een volle blaas
In de Bastaard ben ik negen van de tien keer nuchter. Dat komt ervan als je in Leiden woont en een auto hebt. De neiging naar luxe wint het bij mij vaak van de lust naar drank. In de Bastaard heb ik dan ook nooit overwogen om over de grond heen te pissen. In andere gelegenheden is dat wel eens anders.
Vorig jaar hield Joost Zwagerman een lezing bij de Leidse studentenvereniging Augustinus. Hij was nog geen vijf minuten op weg toen ik me wat ongemakkelijk ging voelen: ik had vooraf flink wat bier naar binnen gewerkt en moest naar de wc. Omdat ik hem niet wilde storen en eigenlijk niets wilde missen, besloot ik op de geplande pauze te wachten. Die pauze liet echter erg lang op zich wachten, waardoor de druk op mijn blaas steeds groter werd.
Na zo’n twintig minuten in de meest onnatuurlijke houdingen gezeten te hebben, hield ik het niet meer. Er moest snel iets gebeuren. In gedachten ging ik de verschillende mogelijkheden af. Ik kon er op dat moment maar twee bedenken: of opstaan en een stuk lezing missen, of ongemerkt mijn gulp open knopen en mijn blaas onder de stoelen laten leeglopen. Door het bier zou de inhoud van mijn blaas vooral uit water bestaan, waardoor het nagenoeg geen geur zou hebben. Niemand zou het doorhebben, zo dacht ik met mijn dronken hoofd. Toch besloot ik nog even te wachten. Misschien was Joost wel bijna klaar. Het plan zou toch wat minder geslaagd zijn als iedereen op zou staan en ik daar met mijn lid in mijn hand zat.
Joost hield een adempauze, dronk wat en ik verlangde vurig naar de verlossende woorden. Die kwamen echter niet: er moest nog een stuk Jongensmeisje achteraan. Kut! Nou ja, hij heeft het zelf gewild, dacht ik. Mijn hand ging naar mijn gulp en pakte de eerste knoop vast. Op dat moment zag ik het licht: wat voor held moet die Zwagerman wel niet zijn om mij zo ver te krijgen om de zaal hier blank te zetten? Krachtig spoot ik mij even later leeg in de voederbak die op Augustinus als urinoir gebruikt wordt. Was dit niet veel lekkerder dan de woorden van Zwagerman? Mijn geest was op dat moment nog niet helder genoeg om een sluitend antwoord op deze vraag te kunnen geven, maar dat kon me eigenlijk ook weinig schelen. Ik was verlost!
Roy van den Burg |
| 'Nog niet met een pistool tegen mijn hoofd'
'Mogen wij jou iets vragen?' vroegen de twee meisjes, die al de hele tijd achter me ronddraaiden, uiteindelijk. Ik keerde me om. Aan mij mag je altijd iets vragen.
'Ken jij Dave en Raoul?'
Ik moest ze teleurstellen. Ik kende helemaal geen Dave of Raoul.
'Maar jij staat toch wel eens in Rails?'
'Ja. Nou ja, een keer per jaar.' (En me dan nog herkennen! Mijn oren gloeiden.)
'Dave en Raoul ook.' Het ene meisje oogde een beetje muizig. Het andere was wat opvallender. Ze waren in ieder geval allebei dronken.
'Weet je ook hoe ze verder heten?' vroeg ik.
'Nee.'
Ik dacht heel lang na. Dave en Raoul...
'Dave heeft een Engelse achternaam,' kon een van de twee zich herinneren.
'O wacht eens... Dave Gray!
'Ja!' lachten ze opgelucht.
'Die ken ik vaag, ik heb hem wel eens op een nieuwjaarsreceptie gezien. Hoe ken jij hem?'
'Ik ken hem niet. Tenminste, ik ken alleen zijn foto'tje. Hij staat daar altijd in de lijst met medewerkers, in die rij met pasfoto's, waar jij ook tussen staat. Raoul ook.'
'Maar wat is dan je fascinatie met Dave en Raoul?'
'We zaten laatst in de trein naar die pasfoto's te kijken en toen vroegen we ons af, met wie zouden we het doen als het moest,' zei de ander. Ze had een puist boven haar linkerwenkbrauw, rijp om uitgeknepen te worden. Het begon erop te lijken dat ik dat ging doen.
'En toen kwamen we uit op Dave en Raoul,' zei de ene weer.
Ik nam een slok van mijn bier. 'Dus als ik het goed begrijp komen jullie me vertellen dat je het zelfs niet met mij zou willen doen als er pistool op je gericht staat?'
De meisjes giechelden zenuwachtig. 'Jij stond er toen niet bij.'
'Ik had liever een ontkenning gehoord.'
Ik draaide me weer om en liet het bier in mijn glas ronddraaien. Net zo dood als de rest van de avond.
Jack Nouws
|
De mevrouw in café de Bastaard draaide zich naar me toe en zei: 'Ik lees je stukjes altijd in de Metro en ik wil niet persoonlijk zijn, maar...
[Niet-persoonlijk-alarm! Als mensen zo beginnen, dan weet je toch dat er een bak shit over je heen gaat... Maar hoe moet je reageren als iemand je zo reageert? Als je zegt dat je er helemaal geen zin hebt, dan ben je een arrogante eikel. Dus je zwijgt en laat het maar komen.]
...ik vind ze wel aardig en zo, maar ik ken jou en ik ken al die mensen waar je over schrijft en dan denk ik, wat gemakkelijk allemaal weer, ik ken dat allemaal, het is altijd weer Utrecht.'
'Je hebt helemaal gelijk,' zei ik, 'En ik doe het expres, soms tenminste. Sla maar een willekeurige krant open en wat is het middelpunt van de wereld? Amsterdam. Allemaal Amsterdammers die allemaal over Amsterdammers schrijven. Dan vind ik het een ironische overtreffende trap door over Utrecht en Utrechters te schrijven.'
[Over het algemeen is de aanval de beste verdediging, maar deze mevrouw had een beetje gedronken en hoogstwaarschijnlijk al heel lang op haar verhaal zitten broeden, misschien was ze zelfs al drie keer eerder naar de Bastaard gegaan met het idee mij daar eens op aan te spreken, ook al moest ze daarvoor inbreken in een gesprek, niets zou haar stoppen, zelfs niet mijn argumenten, want die van haar zaten daarvoor al te diep ingesleten in de groeven van haar hersenen: volgt dus een herhaling van zetten van haar kant.]
'Kijk dan eens naar de titel van de rubriek: Nouws' Nieuws. Dat betekent dat het mijn verhalen zijn, dat ik schrijf over de dingen en de mensen die ik tegenkom, of dat nu een merel op mijn dak is of een expositie in Maastricht. En toevallig kwam ik de laatste weken amper de deur uit, dus dan speelt alles zich in Utrecht af. Geef me maar een onderwerp uit Zwolle en ik ga erheen. En het heet 'Nieuws' omdat het geen nieuws is. Dat is ironie. En het allitereert ook nog.'
'En toch vind ik het jammer.'
[Einde discussie, dus, sommige mensen zijn moeilijker van gedachten te veranderen dan de Exxon Valdez van koers. Ik had liever een ander discussiepunt gehad. Wat doe je bijvoorbeeld als je naar een expositie of voorstelling gaat van iemand die je kent en je vind er niets aan. Het is al moeilijk genoeg om een saai boek te lezen van iemand die je kent. Om problemen te voorkomen hou ik me aan de stelling nooit een mening te geven over levende Nederlandse schrijvers. Het boek waar je niets aan vindt kan wel eens een bestseller worden, een vertaling krijgen of een prijs winnen en dan ben je een jaloerse sukkel. Maar goed. Zo zat ik dus op 5 februari bij 'De ietwat uit de hand gelopen begrafenis van Jacob P.' Ik kende iedereen die meewerkte: de schrijver-regisseur Gérard van Kalmthout, de drie acteurs Victorine Plante, Roos van der Werff en Arend Brandligt tot en met de technici en de decorvormgeefster Laura de Jong. En wat doe je dan als je het stuk slecht vindt? Het is een vraag die ik niet hoef te beantwoorden, want ik was onder de indruk, zowel van de tekstuele vondsten, als van de acteurs, als van het geniale decor. Toch ben ik blij dat ik mijn eigen nieuws versla en geen theaterrecensent ben.]
Jack Nouws |
| Tequila snuiven.
Het zal veel mensen ontgaan zijn, maar er is een heuse crisis gaande in tequilaland. Tequila bestaat voor minimaal 51% uit bestanddelen van de blauwe agave. Dit is in tegenstelling tot wat veel mensen denken niet een cactussoort, maar een lelieachtige plant. Uit een volwassen plant wordt het hart (de zogenaamde piña) gesneden en de suikers uit deze piña worden gefermenteerd en vervolgens gedistilleerd.
Het is duidelijk: zonder blauwe agave geen tequila. En hierin zit hem nou juist het probleem. Het is al geen makkelijk plantje om te telen, het duurt ook nog eens acht tot tien jaar voor de plant volwassen is. Als hij volwassen wordt, want er heerst een mysterieuze ziekte in de agavevelden. Deze ziekte, marchitez genaamd, doet een gezonde plant in een paar maanden tijd veranderen in een droge, dorre bladermassa die bij het minste geringste zuchtje wind omvalt. Volgens pessimistische schattingen is een derde van de totale aanplant geïnfecteerd. Slecht nieuws dus.
Uiteraard heeft de schaarste van de blauwe agave ondertussen tot een geweldige prijsstijging van de ruwe grondstof geleid. Dit maakt het weer interessant voor Mexicaanse boeven om een flink deel van de agave illegaal te oogsten. Dit oogsten is echter een zeer specialistisch werkje. De kunst wordt vaak van vader op zoon doorgegeven. In de handen van harteloze slagers geeft de tere agave zijn geheimen niet prijs.
Ziekte en diefstal bij een nog steeds stijgende vraag naar tequila. Het goedje is over een paar jaar onbetaalbaar geworden. Qua smaak wordt tequila wel eens vergeleken met cognac, qua exclusiviteit zal het cognac verre gaan overtreffen. Het enige wat ons kan redden is een genetisch gemodificeerde blauwe agave die ongevoelig is voor de ziekte. Op de korte termijn is de schaarste daar niet mee opgeheven, maar over een jaar of tien kunnen we dan weer ruim beschikken over oogstbare agave.
Voorlopig is het echter nog niet zover. Voorlopig huren de plantage-eigenaars bewakers in voor de agavevelden en denk ik weemoedig terug aan de met tequila gevulde nachten in De Bastaard. Martijn Nieuwerf, tegenwoordig acteur bij 't Barre Land, organiseerde met overtuiging en enthousiasme de zogenaamde slammernightquizshows. Alle trucs werden uit de kast gehaald om er voor te zorgen dat de uitverkorenen door de tequila gemarineerd het café weer verlieten. Gelaafd en gelouterd. Als de tequila echt onbetaalbaar is geworden nodig ik iedereen uit om een avondje tequila te komen snuiven. Drinken is er dan niet meer bij.
Arnold Meulenbeld |
| Een hemel met vuur
Als je je werk als barkeeper goed doet, dan maak je iedere avond een feestje. Kreeg je als kind regelmatig te horen dat het nou eenmaal niet alle dagen feest kon zijn, nu moet je er voor zorgen dat het dat nou juist wel is. Een droom voor ieder kind, maar voor volwassenen een lastige opgave. Eentje die dus ook niet altijd lukt. Als je niet lekker in je vel zit wordt wat anders een ontspannen glimlach zou zijn al snel een zwakzinnige grijns. Daar trapt helemaal niemand in natuurlijk. Als gasten er opmerkingen over gaan maken zijn de poppen pas goed aan het dansen. Het een versterkt het ander en je weet: deze avond is gedoemd te mislukken.
Onlangs heb ik nog zo'n avond gehad. Niets werkte. In het begin deed ik nog verkrampte pogingen om de boel aan de gang te krijgen, maar halverwege de avond wist ik dat ik een verloren zaak diende. Als ik naar een glas kéék sprong het spontaan kapot. Ik heb mijn hoofd gestoten aan de flessenplank en ben pardoes tegen een pilaar gelopen die daar toch al negen jaar stond. Als komische show misschien aardig, maar ik zag niemand lachen.
Deze avond hield mij in een verstikkende wurggreep totdat zij binnen kwam. Ik noem haar voor het gemak Engel. Ik meen zeker te weten dat dit dicht bij de waarheid ligt. Ze was jong en had een mooi, gaaf gezicht met op de wonderlijkste plekken piercings. Dit contrast was intrigerend, haar glimlach betoverend. Dat zij tot twee keer toe naar de bar kwam om een doosje met lucifers te vragen vond ik opmerkelijk. Helemaal toen bleek dat ze een goed werkende aansteker had. Nou ja. Avond bijna voorbij. Missie bijna volbracht. Geen gezeur.
Uiteindelijk verlaat Engel in een klein gezelschap als laatste het café. Ik hoor haar nog zeggen: 'Ik heb mijn kettingen bij me'. Deze laatste opmerking blijft, terwijl ik het café al gesloten heb, door mijn hoofd zingen. Even later keer ik terug naar het raam. "Lucifers & kettingen". Hier is mijn nieuwsgierigheid flink van onder de indruk. Als ik door het raam kijk zie ik Engeltje met twee kettingen zwaaien. Aan de uiteinden zitten bakjes met een brandende vloeistof. Ze zwaait ze voorlangs, achterlangs, onderdoor, kruislings en op nog een paar manieren waar ik geen woorden voor weet. Een onbeschrijfelijk en prachtig gezicht. Een gevallen engel in een hemel met vuur.
Arnold Meulenbeld |
| De bulldozer
Het is donderdag omstreeks 12 uur des avonds als ik het overvolle café en politiek bastion De Bastaard betreed. Ik wurm me langs enkele kopstukken van de Utrechtse scene, struikel over de door mijn oma gebreide sjaal en beland hijgend in de armen van mijn vrienden die zich in liefde over mij ontfermen. Nicolette dept mijn bezwete gelaat met een in goedkope eau de cologne gedrenkte zakdoek. Gerard en Dirk ontfermen zich bezorgd over mijn jas.
Ter hoogte van de pooltafel ziet het zwart van de mensen. KANALENEILAND HOPLAKEE een ondertussen machtig collectief van op leeftijd zijnde heren viert hier haar 5-jarig jubileum. Wim C. aannemer en intellectueel brein van deze zo succesvolle organisatie is op de schouders genomen. Het huisorkest zet het tijdloze lang zal hij leven in. Gevoed door heilig ontzag voor de leider ontvouwt zich een rituele dans. Op een teken van de zich met moeite in evenwicht houdende Wim C. wordt het blazersensemble snel het zwijgen opgelegd. Het stropdasje wordt rechtgetrokken. Een doodse stilte overstemt het geknetter van de airconditioning. De Utrechtse tongval van Wim C. maakt een einde aan de opgebouwde spanning.
“Onvoorwaardelijke liefde, strijd, opoffering en mededogen voor wie zich schikken.”
“Jaaaaa” klinkt het uit minstens 50 kelen.
Wim C. recht de rug. “Gratis drank, een avondklok, volkstuintjes en chemische wapens enkel en alleen voor ons.”
“Natuurlijk’ echoot het tegen de pas geschilderde maagdelijk witte cafémuren.”
De stem van Wim C. klinkt nu overstuurd. ‘Een eigen parlementsgebouw, een t.v.-station bemand door een door mij geselecteerde elite”
“Ooooooooooh.”
Wij Violette Gerard, Dirk en ik van het eens zo machtige LOMBOK NU hebben ons angstig terugtrokken aan een tafeltje in het schaduwrijke middenschip van het café. Violette omklemt mijn trillende handen terwijl Gerard zich een houding probeert aan te meten tegenover een schokschouderende Dirk. Zonder onze leidsman J. Spoelstra gaan we machteloos ten onder in het verbale geweld van KANALENEILAND HOPLAKEE Spoelstra zit in de uiterste hoek van het café het object van zijn nieuwe bevestiging glazig aan te staren. Dora heet ze en voor ons staat ze symbool voor de teloorgang van onze politieke idealen.
“Rambo en Gerard Depardieu zijn pas jongens van de Wit!” werpt Wim C. zijn vazallen voor de voeten.
“Zeker.” Een goedkeurend gemompel zoemt door de ruimte.
Violette laat mijn klamme handen los en maakt het “Fidel Castro - Havanna - gebaar.” Ze wurmt zich langs enkele gesubsidieerde acteurs (die met hun kortgeschoren haardracht ook voor grafisch ontwerpers kunnen doorgaan) en keert veilig terug met de buit. Zenuwachtig steken we de vlam in onze Bastaardsigaren die hoe we er ook aan trekken maar niet op gang willen komen. Net op het moment dat ik de moed bijeen heb geraapt om me hierover bij de barman te gaan beklagen schalt een stem minstens zo machtig als die van Wim C. door het etablissement.
“Genoeg!”
Het is Hans K. van BINNENSTAD BOVENAL die het niet langer pikt en met een in gouden jasjes gehesen elite in marstempo naar de pooltafel oprukt. Brekend glas, het zwiepen van soepel gehanteerde barkrukken en moeders die met hun kind op de arm naar buiten proberen te komen veranderen het café in een macaber slagveld. Diep weggedoken onder ons tafeltje hopen we de vechtende massa te ontlopen. Plots word ik me bewust van een krachtige zichzelf startende motor. Eerst wijd ik deze hallucinatie aan het zuurstofgebrek in mijn hersenen als gevolg van het lurken aan mijn onwillige sigaar. Het vervaarlijke geluid lijkt echter wel degelijk van boven mijn hoofd te komen. Verbaasd kijk ik op en zie een op het eerste gezicht onschuldige poster van LEEFBAAR UTRECHT met daarop een in zichzelf gekeerd Bulldozertje. Een moment voel ik de behoefte het bulldozertje even in mijn armen te nemen, te aaien zelfs.Net op tijd weet ik me te beheersen.
Onder het geraas van neerstortend drukwerk bevrijdt de bulldozer zich van zijn papieren kader. Opgeblazen tot een aartsvader aller bulldozers rijdt het met donderend geraas op de vechtende meute in. Gekletter van biljartballen en krakend hout. Gesmoorde kreten die vervliegen in een wolk van stof en splinters. Wim C. en Hans K., elkaar vastklampend aan het stropdasje, reageren te laat. Het blazersensemble ontspringt handig de dans en brengt zich in veiligheid op het tafeltje van J. Spoelstra en Dora. Daar wordt het arrangement “Waar ze loopt te wandelen” ingezet, het geheel alleraardigst omlijstend.
Als het stof is neergedaald zie ik Hans K. en Wim C. geëmotioneerd afscheid nemen van het lieve bulldozertje. Na het polijsten van elkanders colbertjes wordt schouder aan schouder met getrokken knip op de barman afgelopen. Deze kijkt begripvol naar het nog nagrommende bulldozertje dat verlegen langs enkele gepast opzij stappende kopstukken naar buiten schuifelt. In het kielzog volgt J. Spoelstra, onze leider, Dora stevig omklemmend. Een vette knipoog is ons deel. Het blazersensemble begeleidt hen onder het spelen van een serenade naar de kapstok en Spoelstra helpt Dora vol bravoure in haar mantel.
Wij van LOMBOK NU werpen de schroom van ons af en verlaten onze schuilplaats. Violette slaat een arm om Dirk heen die de spanning nu echt van zich afhuilt. Onze sigaarstompjes teleurgesteld in de asbak werpend besluiten Gerard en ik een volgend kroegbezoek onze eigen sigaren mee te nemen. Licht in het hoofd wuiven wij hoffelijk naar de barman en staan buiten op het vochtig plaveisel. Een laatste blik nog werpen wij naar binnen. De rust lijkt weergekeerd in De Bastaard. De barman glimlacht als vanouds begripvol naar zijn klandizie. Aangedaan door het verloop van de avond nemen Gerard en ik afscheid om in tegenovergestelde richting elk onze eigen weg te gaan. Met soepele tred de handen op de rug gevouwen zet ik pas naar huis. Ter hoogte van de Neude zie ik onder het licht van een straatlantaarn het bulldozertje in amoureuze omhelzing met een lange blonde bouwvakker. Er schiet mij een wijsje te binnen. Waarom weet ik niet maar ik zing:
En waar ze loopt te wandelen
Raakt de natuur van slag.
Daar wordt het midden in de winter
Snel een mooie lentedag.
George Muishout & Martijn Houtkamp
Onder auspiciën van de Smaakmakers.
|
| Dansen met de muzen
Toen ik Nederlandse taal en letterkunde studeerde kwam ik er nooit. In de Bastaard. Nogal wiedes want ik ging Nederlandse taal en letterkunde studeren om te kunnen drinken op de sociëteit. De sociëteit waarover ik reeds las toen ik nog de middelbare school bezocht. Boudewijn van Houten ('Wie zeg je?') wijdde mij door middel van zijn boek De ontgroening in bij het welhaast ongemende leven van studentenheren in de jaren zestig. Een uitgebreide beschrijving van een uniek stukje Utrecht. Met de literatuurlijst nam ik al een voorschot op mijn eigen studententijd. Het leverde een hoop voorpret en een goed cijfer op.
Dat het leven van studenten er in de jaren tachtig heel anders aan toe ging, daar kwam ik achter toen ik op het introductiekamp van 1e jaars Nederlands een stukje moest opvoeren in een jeugdherberg in Ede. Ondanks dat ik de herinnering aan deze performance tracht te verdringen zie ik voor mijn geestesoog flarden houterige danspasjes. Dit verwijst ook naar hoe ik de rest van mijn studententijd samenvat: dansles met de muzen.
Het studeren onder invloed hield ik welgeteld drie jaar vol. Pas toen ik later groot en gesjeesd was, allang een andere opleiding deed, bezocht ik de Bastaard. Het café werd in mijn wereldbeeld bevolkt door apart, artistiek publiek. Ik werd er binnengeloodst door mijn toenmalige vriendin Peggy. Terwijl ik mij liever schuil hield in Willem Slok of eenzaam kranten las in het Grand Café van het Polmanshuis moest en zou ik mee om iets te gaan drinken. Deze keer zei ik eens geen nee.
Achterin bij de pooltafel werden we vervolgens de godganselijke avond in onze zij en bil gepord door de achterkant van een keu. De heren poolers namen het er flink van. Van de ruimte. Gebogen, met de rug naar de omstanders dwongen ze steeds meer meters af. Liever nog de keu, dan zo'n vale jeanskont die langs mijn lichaam schuurde. Ongewenst contact met dubieuze jongens die zich liever in laten met biljart in plaats van boeken en toneel.
Nu, ouder en wijzer geworden, begrijp ik de Bastaard pas. Ik hoor de barman cd's starten die ik thuis beluister, ik zie schrijvers zitten die bij mij thuis staan. Dat het leven er anno 2000 heel anders toe gaat, daar kom ik achter tijdens ieder bezoek. Telkens opnieuw bekruipt mij toch het gevoel dat ik op het introductiekamp van 1e jaars Nederlands een stukje moet opvoeren in een jeugdherberg in Ede. Elke keer opnieuw maak ik een dansje met de muzen.
Buub Sondrick |
| Tosti kaas met ketchup en mosterd
Krampachtig als een doorgewinterde conservatief klampte ik mij tot nu toe vast aan een goeie smoes om geen column voor de Bastaard site te schrijven. Ik kan best schrijven, ik wil best schrijven, ik heb het ook niet heel erg druk en ik ben dag in dag uit in de Bastaard te vinden op het hoekje van de bar dus stof tot schrijven genoeg. Ik lust alleen geen taart.
Naar aanleiding van een gesprekje met mijn liefste vriendin (45 graden verder aan de bar) en de stabiel nukkige en af en toe compleet losgaande uitbater en barman van de Bastaard (Arnold we love you!) over het teruglopende enthousiasme van de columnschrijvers besloot ik de taart de taart te laten en mij aan het schrijven te zetten.
In tegenstelling tot taart eet ik zeer regelmatig een tosti kaas met ketchup en mosterd. Mijn allereerste tosti in de Bastaard was ongevraagd voorzien van deze combinatie. Een minuut lang keek ik sprakeloos naar mijn bordje. Daarna kreeg ik de slappe lach. De barman (Gérard waarom heb je ons verlaten?) bleef echter serieus en sindsdien ben ik verslaafd.
Na lang wachten (het tostiapparaat van de B. is degelijk en neemt zijn tijd om een perfect product af te leveren) is het in ontvangst nemen altijd een feest. Met ketchup en mosterd kun je namelijk hele leuke dingen doen. Dat bewijst Arnold sinds jaar en dag door elke keer een kunstzinnig portret van mijn vriendin (of ben ik het?) compleet met de expressie en haardracht van die dag er gratis bij te leveren.
Lieve Arnold ga zo door en Bastaard bezoekers en columnisten vergeet de taart: Bestel een tosti en win een kunstwerk!
Jeanine Hovius |
| Zo dan maar:
Ik kom niet uit Utrecht en absoluut nooit ergens in de kroeg. Zal komen omdat ik 14 ben. Ik vind kroegen als je ze ziet wel wat raar, zo van: oh, allemaal dronken mensen. Dat is een beeld wat je krijgt als je bij ons in de straat langs de kroeg loopt. Oude mannen die aan de bar hangen en soms even een spelletje biljart spelen. Zijn ze getrouwd? Wacht er thuis iemand op ze? Wie zal het zeggen. Dat idee van de kroeg heb ik heel erg gekregen de laatste paar jaar, maar als je dan weer ziet hoe gezellig het kan zijn, en zoals de foto's op internet van de Bastaard, begin ik te twijfelen aan mijn eigen idee.
En toch zou ik dan nog steeds niet een kroeg binnenstappen. Zeker niet alleen. Kan natuurlijk veranderen, naarmate ik wat ouder word. Ik heb ook wel een opvoeding gekregen waar zulke dingen als de kroeg helemaal taboe zijn, want mijn ouders kwamen er zelf ook nooit. Ik vraag me zelfs af of zij ooit wel lol hebben gehad, ze waren nogal jong getrouwd. Mijn moeder 18 en mijn vader 21. Maar, ik wijk erg af van het onderwerp: de kroeg. Want daar moet het column toch over gaan. Ik weet niet eens of wat ik nu schrijf wel een column is, want ik schrijf nooit columns. Nou ja, als het er een is zou het erg leuk zijn. Ik wil wel graag die taart hebben hè, maar ik kom uit Hilversum. Ik mail met Ingmar Heytze (en die komt uit Utrecht) dus die mag hem hebben. Niet dat ik win of zo maar toch.
Bedankt voor het lezen!!!!!
Petra Kruyt
|
| Dief
Op een avond niet lang geleden, voor de bibliotheek waar ik mijn fiets van het slot haal, hoor ik een vrouwenstem die roept: 'HOUD DE DIEF!' Een bespottelijke uitroep als je 'm zo hoort, maar probeer zo vlug maar eens iets nieuws te verzinnen wanneer je wordt beroofd in het centrum van Utrecht. Ik zie een donker mannetje full-speed over de Stadhuisbrug sjezen met in zijn hand een damestas. Uit de Choorstraat komt de vrouw hem achterna. Ze zwaait wild met haar armen. 'HOUD DE DIEF! HIJ HEEFT MIJN TAS!' Uit haar hakken slaan vonken maar het mannetje heeft wind onder zijn zolen. Ik stap op mijn Kronan, de opnieuw in productie gebrachte Zweedse dienstfiets die gemaakt lijkt voor dit doel. Bedaard steek ik de Stadhuisbrug over, passeer de vrouw, rij het Oudkerkhof op en sla linksaf de Korte Minrebroederstraat in, met het mannetje voor me uit. Hij is gemaakt van lichte elementen. Maar ik zit niet ver meer achter hem.
Hij weet dat nog niet.
Het ziet er naar uit dat ik goed ga doen vanavond. Ik weet niet waarom. De laatste keer dat ik goed deed en iemand voorrang verleende, werd hij aangereden door een vrachtwagen. Zo ontdekte ik de wet van het onbedoelde gevolg. Sindsdien probeer ik geen gunstige invloed meer uit te oefenen op andermans leven.
Maar vanavond ga ik het nog één keer proberen, ik voel het, het is sterker dan mezelf. De dief zoeft de Annastraat in. Pas in dat smalle straatje vol pannengekletter uit restaurantkeukens krijgt hij in de gaten dat achter zich de dreiging van burgerzin opdoemt op een zwarte dienstfiets. Het is niet te geloven maar hij heeft nog een extra versnelling in huis - hij slaat bijna over de kop zo snel. Maar een Kronan die eenmaal zwaar en rechtvaardig over de kasseien rolt, heeft weinig energie nodig om zijn snelheid te vermeerderen. Ik ben nu vijf meter achter hem. Dit is het moment. Ik bulder: 'LAAT VALLEN OF IK SCHOP JE DOORMIDDEN.'
Weinig fijnzinnig, toegegeven, maar reuze effectief. Het mannetje schrikt zich een ongeluk en gooit de tas hoog in de lucht. De tas landt tussen het restaurantafval, de dief schiet linksaf de Korte Jansstraat in. Hij mag gaan.
Aan het andere eind van de straat staat de vrouw, buiten adem. Ik geef haar de tas terug. Ze kijkt of het geld er nog in zit en kankert tegen omstanders over het geteisem op straat. Een klein woord van dank heeft haar mond nooit verlaten.
Tommy Wieringa
|
| Doorloop
Een donderdagavond eind maart 2002. We zouden nog één doorloop hebben voordat ons stuk (‘De stoel van Stanislavski’) die vrijdag in première zou gaan. Klokslag 19.00 uur moesten we aanwezig zijn, althans dat herinnerde ik mij.
Ik had er zin in, zeg maar gerust; teveel. Want ik maakte de klassieke kunstenaarsbohémien fout door vooraf wat inspiratie in te drinken, zoals veel jazzmusici in de jaren 50 - in navolging van hun held Charlie Parker - door heroïnegebruik beter dachten te kunnen spelen.
Dus in een stemming van "ik zal ze godverdomme wel eens even laten zien wat acteren is" dronk ik thuis alvast twee halve liters Grolsch om vervolgens op het Centraal Station een derde te halen. De oude brandweerkazerne achter het stadhuis lag er opvallend stil bij toen ik aan kwam lopen. Zwart landbouwplastic tegen de ramen, geen kiertje licht. Hadden we dan toch om 20.00 uur afgesproken? Ik besloot in ‘t Hoogt nog wat te drinken.
Maar zoals verwacht was het er té groot en té licht voor zo weinig bezoekers. Dus toen ik met een biertje tegen de bar leunde en halfgeïnteresseerd boven mij een in Berlijn opgenomen video van zwijgend uitgaanspubliek bekeek, wist ik meteen: wegwezen! Op naar de Bastaard.
Eenmaal binnen zag ik frisbrutale jongens en meisjes rond dartelen. De lauwwarme belichting gaf het café iets van een gezellige pijpenla, alsof ik in een oude opslagruimte terecht was gekomen. Achterin een leuk zaaltje met biljarttafel en een mysterieuze wereldbol van gebroken marmer in de vloer ("oh Atlas, wat bent u plat!").
Ik ging vlak bij de deur zitten, aan de toog; een oude spoorwegbiels waarover de drankjes in sneltreinvaart heen en weer schoten. Ik bestelde een cappuccino, vroeg om een doosje lucifers, stak een sigaartje op en liet ook nog eens een Drambuie voor me neer zetten.
Mijn hoofd draaide, mijn gedachten tolden. Hoe zou de repetitie verlopen? Was ik wel overtuigend in mijn rol? Zouden ze toch niet al begonnen zijn? Maar alles zat toch potdicht?
Langzamerhand begonnen de fabeldieren en arabesken, op het kunstige nepbehang tegenover me, zachtjes heen en weer te dansen. De bruine vlek achter het tostiapparaat werd alsmaar groter en brandde een gat in de muur. Donkerbruin poepgat, zwart gat, gadverdamme gat, Andromeda-nevel-die-ik-vergat en vergeet-die-repetitie-vanavond-gat. Gottegot, lal lal bladerbad, ik ben dat stuk vanavond helemaal zat, vergeet die repetitie schat!
Plotseling stond er een jongen naast me, vroeg of hij even mocht kijken. Ik dacht dat hij op mijn horloge wees, maar het ging hem om het sigarendoosje. "Ze ruiken zo lekker" zei hij en dus bood ik hem er eentje aan. Maar dat was iets teveel ‘ouwe jongens, krentenbrood’ voor hem en met een geforceerd glimlachje liep hij weg.
Ongevraagd had hij me uit mijn prettig benevelde toestand gewekt, instinctief keek ik op mijn horloge: 19.56 uur. Shit! Over vier minuten moest ik op.
Halsoverkop verliet ik het café. Hijgend kwam ik aan en opnieuw was alles donker. Nou ja! Ik sloeg met mijn bolle vuist hard op de deur. Tl-licht floepte aan. Een deur werd geopend.
"Waar was je nou?".
Peter Tekelenburg
|
|